HEEMAF brandweer

De HEEMAF (Hengelosche Electrische en Mechanische Apparaten Fabriek) beschikte vanaf 1920 over een eigen bedrijfsbrandweer. Waarschijnlijk spreken de motorbrandspuiten, branden en oefeningen het meest tot de verbeelding. Daar zal dan ook ruim aandacht aan besteed worden. Maar er waren meer aspecten.

MIDDELEN
Brandveiligheid begon op de werkplek.  Brandblussers bestonden al ruim voor de Tweede Wereldoorlog: Brandblusser bevestigd aan de muur van het oliemagazijn, 1 november 1935 (collectie HCO). In 1935 hingen er bij de HEEMAF 40 brandblussers.

Behalve brandblussers waren ook aanwezig dekenkasten, lantaarns en brandkranen met een slang. Op een plattegrond stond aangegeven wat waar hoorde te zijn. Het behoorde tot de taken van de bedrijfsbrandweer om bij inspecties te controleren of deze middelen inderdaad nog aanwezig waren en ook om brandgevaarlijke situaties te melden.

Graafwerk voor de brandspuitleiding op het fabrieksterrein, 1 november 1935 (collectie HCO). Deze leiding met een grote diameter zorgde voor voldoende waterdruk in de erop aangesloten brandkranen. Ook nadien werd het water soms betrokken uit één van de waterlopen die het HEEMAF terrein omringden, maar daardoor kon de pomp van de motorbrandspuit verstopt raken.

In 1963 was de “brandsloot” aan de Bankastraat dichtgevroren. Er werd toen elke ochtend een gat in het ijs gehakt.

Terreiningang bij de achterportier, 1 november 1935 (collectie HCO). Dit was de personeelsingang aan de Heemafstraat. Achter de rug van de achterportier is een dubbele deur te zien met daarboven de tekst Brandspuit. De volgende foto laat zien wat er achter die deuren stond.

Een motorbrandspuit  bestond uit een verbrandingsmotor die een pomp aandreef. Dit geheel was gemonteerd op een éénassige of tweeassige wagen die achter een auto of tractor of met handkracht naar de plaats des onheils getrokken werden. De motorbrandspuiten waren van slangen en een schijnwerper voorzien. De eerste motorbrandspuit werd in 1920 aangeschaft.

De motorbrandspuit uit 1920 is omgebouwd in 1940 en werd toen voorzien van een BMW motor van 60 pk. Er waren drie slangenaansluitingen; de waterdruk bedroeg 15 atmosfeer. De motorbrandspuit staat tussen het gebouw voor de achterportier en de in verband met de dreigende oorlog ingerichte Brandweer- en Luchtbeschermingspost 3, 1 april 1940 (collectie HCO).

Sinds 1938 waren er twee motorbrandspuiten. De oude werd  aangeduid als motorspuit en de nieuwe als schuimspuit.

Oefening bij de tractiehal, 7 augustus 1954 (collectie HCO). Dit is de schuimspuit uit 1938 . Rechts op de éénassige aanhanger staat namelijk een blik schuim (en links een blik benzine). Via de dikke geribde slang is de brandspuit op een brandkraan aangesloten; met de dunnere slangen wordt gespoten. Op een andere foto is het fabrikaat Ajax te zien.

De linker motorbrandspuit heeft een capaciteit van 3000 liter/ minuut en is voorzien van 2 schuimkanonnen voor het blussen van oliebranden. De spuit rechts heeft een capaciteit van 600 liter/minuut en is door haar afmetingen geschikt om in de gebouwen te opereren. Verder twee CO2 wagentjes voor het blussen van kleine brandjes zonder waterschade. 7 augustus 1954 (collectie HCO).

BRANDWEERLIEDEN
Er waren verschillende functies, zoals brandmeester, reserve-brandmeester, machinist, reserve-machinist, slangenvoerder en brandweerlieden “aan de straalpijp”. In elk geval in de jaren 1960-1969 werd er maandelijks vergaderd en werd er elke week een keer na werktijd geoefend:

Oefening van de HEEMAF bedrijfsbrandweer, 7 augustus 1954 (collectie HCO).

Tegenover deze activiteiten stond geen geldelijke vergoeding. Wel werd elk jaar in een weekend een tweedaagse autoreis op kosten van de HEEMAF gemaakt. In zo’n weekend ging de helft (dat wil zeggen 5 man) op stap; de andere helft moest thuis blijven en daar bereikbaar zijn. In een andere weekend waren de rollen omgekeerd.

Soms worden bij de foto’s namen van vrijwillige brandweerlieden genoemd en is hun functie bij HEEMAF op de een of andere manier terug te vinden. Het blijken steeds mensen in hogere functies uit de fabriek te zijn, zoals de hoofdcontroleur van de Wikkelarij, de werkmeester van de Ponserij, een werkmeester van de leerlingenwerkplaats en een veiligheidsinspecteur. Kantoorpersoneel kwam er niet aan te pas. Al voor het pensioen, namelijk bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, moest men afscheid nemen van de bedrijfsbrandweer:

Tien personen voor het Brandweergebouw bij het afscheid van de heren Heinen en Rondeel van de Bedrijfsbrandweer, 31 augustus 1955 (collectie HCO). Sinds 1952 was de stalling voor de motorbrandspuit niet meer bij de achterportier, maar tussen de oude tractiehal (links, in gebruik als constructiewerkplaats) en het ruwijzermagazijn.

Uiteraard beschikten de brandweerlieden over beschermende kleding:

De kleedruimte voor de Bedrijfsbrandweer, 1 december 1943 (collectie HCO). De volgende foto is genomen in deze ruimte.

Opbergruimte voor brandweerkleding, 1 januari 1944 (collectie HCO). Boven de helmen en jassen staan namen. Links is te lezen O(ude) Mönnink. Op de helmen en jassen staan nog HEEMAF emblemen, later niet meer.

Bij een brandalarm stonden de taken van te voren al vast: enkele brandweerlieden sloten gas, elektriciteit en water af. Ondertussen ging een ander groepje de brandspuit halen en de rest begaf zich meteen naar de plaats van de brand. Pas als het blussen begonnen was gingen de brandweerlieden om beurten hun brandweerkleding aantrekken. Zodoende is op de volgende foto nog een heer in pak en met hoed te zien:

Brandspuit aangesloten aan een spuitleiding tijdens een oefening (waarbij onder andere gebruik gemaakt wordt van nevelsproeiers) bij het “abnormaal” magazijn, 1 april 1940 (collectie HCO).

Voor de Tweede Wereldoorlog en nog jaren erna was het bezit van een telefoon en een auto (of motorfiets) een luxe die alleen was weggelegd voor welgestelden, middenstanders, artsen, vroedvrouwen, etc. Hoe werden de vrijwillige brandweerlieden dan gewaarschuwd bij een nachtelijke brand ? En hoe kwamen ze snel bij de HEEMAF ? Onderstaande kaarten vertellen het verhaal:

Overzicht van de te waarschuwen brandwachten bij brandalarm, 1 november 1935 (collectie HCO). Getoond zijn de voorkanten van alle drie kaarten met Taxi I, II en III en (met knippen en plakken) de achterkant van één ervan.

Op de ene getoonde achterkant staan de namen en adressen van vier vrijwillige brandweerlieden. Ze woonden heel dicht bij elkaar in de buurt. Mogelijk waren ze daarop geselecteerd. Van de vier had alleen dhr. G. Beckmann telefoon. Het is aan te nemen dat deze telefoon door de HEEMAF betaald werd. De HEEMAF had meerdere ingangen, maar ’s nachts was alleen de “achterportier” (aan de Heemafstraat) aanwezig. Bij de achterportier stond ook de motorbrandspuit opgeborgen. Als er brand uitbrak dan werd dat waarschijnlijk door de nachtwaker opgemerkt. Die waarschuwde de achterportier. De achterportier belde dan een taxibedrijf, waarmee de HEEMAF afspraken had gemaakt. Dat taxibedrijf belde vervolgens drie taxichauffeurs uit bed. De taxichauffeurs hadden hun taxi waarschijnlijk voor de deur staan en hadden daarin een exemplaar van één van de op de foto getoonde kaarten. Eén van de taxi’s spoedde zich naar dhr. G. Beckmann. Ondertussen was dhr. G. Beckmann door de achterportier gebeld en al bezig zijn drie collega’s te waarschuwen. Ze stapten gevieren in de taxi en werden na een rit van 2 km bij de achterportier afgeleverd. De taxichauffeur liet daar zijn kaart afstempelen. Met die stempel als bewijs werd het taxibedrijf later betaald.

In 1960 ging het heel anders. De HEEMAF brandweerlieden hadden een door de PTT geïnstalleerde alarmbel thuis. Als het alarm ging, begaf men zich op eigen gelegenheid naar de HEEMAF.

 

BRANDEN
Op 7 juli 1925 sprong een oven, waarin elektromotoren gedroogd werden, uit elkaar. De HEEMAF bedrijfsbrandweer bluste een beginnende brand.

Op 5 september 1928 brandde de schilderswerkplaats van de firma Hazemeyer af. De gemeentelijke brandweer en de bedrijfsbrandweren van Hazemeyer, HEEMAF en Stork voorkwamen dat het vuur naar andere fabrieksgebouwen oversloeg.

Op 17 september 1935 raakten twee niet meer gebruikte, 20 meter hoge houten koeltorens van de naast de HEEMAF gelegen oude elektrische centrale van het Twents Centraal Station in brand. Het vuur sloeg over naar een openlucht opslagplaats met 30 km hoogspanningskabel op kabeltrommels. De gemeentelijke brandweer en de HEEMAF bedrijfsbrandweer wisten met 4 stralen verdere schade voor HEEMAF te voorkomen.

Voor de Tweede Wereldoorlog wordt verwezen naar het verhaal HEEMAF in de Tweede Wereldoorlog.

In mei 1954 brandde de timmerafdeling uit. Hier werden onder andere de kisten gemaakt waarin de producten verpakt werden:

De Timmerafdeling na een uitslaande brand, 14 mei 1954 (collectie HCO). Tussen de dakbalken kan men naar buiten kijken, maar het aan een balk hangende bordje heeft de brand overleefd. De tekst luidt: “Het zagen met de cirkelzaag door arbeiders beneden leeftijd van 18 jaar is verboden”.

Het is bekend dat de HEEMAF een opslagterrein voor blikafval had. Kennelijk werd daar ook brandbaar materiaal gedumpt, want het meeste werk had de bedrijfsbrandweer met hardnekkige branden in die afvalhopen.

In 1994 werd de bedrijfsbrandweer opgeheven omdat de HEEMAF fabriek gesloten werd. De oudste motorbrandspuit van de HEEMAF bestaat nog. Deze werd namelijk in 2008 door de Stichting Historie Brandweer Hengelo verworven van een particulier in Tilburg.

 

BRON
https://heemaf.mijnstadmijndorp.nl